Hoogmoed

Ik trap al weken in dezelfde val. De val van hoogmoed. Het gebeurt me zonder dat ik er erg in heb. Sluipenderwijs. Pas als ik val besef ik hoe hoog ik vloog.


Nee. Dat is niet waar. Het erge is, ik heb het wel door maar wil het niet zien. Verblind door complimenten en aandacht begin ik in mezelf te geloven. Dat ik heel wat kan. Dat ik toch écht iets voorstel. Heel langzaam stijg ik op.


Dit is wat er gebeurt. Een paar avonden op rij speel ik goed. Met de juiste focus stap ik het podium op, ben goed voorbereid waardoor ik los kan gaan. De interactie met publiek bouwt zich stap voor stap uit waardoor ik uiteindelijk de hele zaal mee heb.


Euforisch stap ik het podium af. Waardering van collega's, complimenten van het publiek. 'Zie je wel? Ik kan het, ik ben iemand!'


De kick van eigen materiaal dat werkt en het publiek laat lachen is nergens mee te vergelijken. Even waan je je onaantastbaar. Met steeds meer vertrouwen stap je het podium op. En met steeds meer vertrouwen stap je het podium ook weer af.


Tot de vetzucht toeslaat. Ik word te gretig en gemakzuchtig. 'Laat mij maar. Ik flik het wel weer.' De voorbereiding is minder strak, de focus is niet zo scherp, het materiaal minder fijn aangeslepen 'want dat werkt toch wel'.


En dan gebeurt het onvermijdelijke. Ik word net wat slordiger op het podium, het ritme is niet strak genoeg, de concentratie loopt er achteraan en ik krijg de deksel op de neus. Ratelend, zwetend, voel ik hoe het publiek als los zand tussen mijn vingers door glipt. Omdat ik er bij voorbaat al vanuit ging, 'dit wordt weer lachen'.


De truc is om iedere keer weer vanaf nul te beginnen. Om iedere keer de hele voorstelling vanaf de grond weer op te bouwen. Alsof je zelf ook niet weet wat het worden zal. Want iedere keer zit er weer een nieuw publiek.


Tibetaanse monniken doen er weken, soms maanden over, om zandmandala's te maken. Met engelengeduld maken ze, van verschillende kleuren zand, de meest complexe en prachtige kunstwerken. Zodra de mandala voltooid is, vegen ze hem meteen weer weg. Dit symboliseert de vergankelijkheid en nietigheid van het bestaan.


Ze maken er wel foto's van en zetten die op internet, maar dat terzijde.